"Inkopen en verkopen"

"Module 8 · BTW & handel"

"De complete handelstransactie: inkoop, verkoop, BTW en winst"

Concepts

Welkom terug — vandaag valt alles op zijn plek

Fijn dat je er weer bent. Ga er even goed voor zitten, want vandaag is een mooie les: de **slotles van Module 8**. We hebben de afgelopen twee lessen losse stukjes geleerd, en vandaag klikken ze in elkaar tot één geheel. Aan het eind van deze les kun je een complete handelstransactie verwerken — inkopen én verkopen, mét BTW én korting. Dat klinkt als veel, maar je hebt alle bouwstenen al. We zetten ze vandaag alleen netjes naast elkaar.

Even terughalen wat je al kunt. Je kent de **journaalpost** (debet boven, credit met "Aan" eronder, debet altijd gelijk aan credit). Je kent **debiteuren** en **crediteuren**. Je kent **BTW**: bij inkopen heb je **te vorderen BTW** (krijg je terug van de Belastingdienst), bij verkopen heb je **af te dragen BTW** (moet je afdragen). En je kent **korting**: een bedrag dat van de prijs afgaat. Vandaag gebruiken we dat allemaal tegelijk.

Karin schuift haar stoel bij en glimlacht. *"Dit is mijn lievelingsles van de module. Niet omdat er iets nieuws bij komt — bijna alles ken je al — maar omdat je vandaag voor het eerst een échte handelstransactie van begin tot eind boekt. Van Ginkel Solutions BV koopt iets in, verkoopt het met winst door, en draagt de BTW af. Precies wat een echte groothandel elke dag doet. We doen het rustig, met veel voorbeelden, en je zult merken dat het allemaal al bekend voelt."*

> TIP: Voel je je nog onzeker over BTW of korting? Geen zorgen. We halen elk stukje even kort terug vóór we het gebruiken. Je hoeft niets uit je hoofd te kennen — lees mee en kijk hoe de stukjes in elkaar passen.

---

Eerst even verankeren: debiteuren en crediteuren

Twee woorden komen vandaag de hele tijd langs, dus laten we ze stevig vastzetten. Ze lijken op elkaar, maar betekenen het tegenovergestelde.

**Crediteuren** zijn de mensen aan wie **jij** nog geld moet betalen: je **leveranciers**. Koop je iets op rekening (je krijgt de spullen nu, je betaalt later), dan heb je een **schuld** aan die leverancier. Die schuld heet Crediteuren. Een schuld staat rechts op de balans, dus Crediteuren is een **creditrekening**: schuld erbij = credit, schuld eraf (je betaalt) = debet.

**Debiteuren** zijn de mensen die nog geld aan **jou** moeten betalen: je **klanten**. Verkoop je iets op rekening (de klant krijgt de spullen nu, betaalt later), dan heb je een **vordering** op die klant. Die vordering heet Debiteuren. Een vordering is een bezit (je hebt nog geld tegoed), dus Debiteuren is een **bezitrekening**: vordering erbij = debet, vordering eraf (klant betaalt) = credit.

Crediteuren | jouw schuld
De leveranciers, aan wie jij moet betalen
Ontstaat bij inkoop op rekening
Schuld → credit (erbij), debet (afbetalen)
---
Debiteuren | jouw vordering
De klanten, die aan jou moeten betalen
Ontstaat bij verkoop op rekening
Bezit → debet (erbij), credit (innen)
---
Hulpzinnetje | wie moet wie?
CRE-diteuren: jij moet de leveranCIER
DE-biteuren: de klant moet jou
Twee kanten van hetzelfde: op rekening

> TIP: Verwar je ze? Onthoud: bij **inkopen** krijg je **crediteuren** (je schuld aan de leverancier), bij **verkopen** krijg je **debiteuren** (de klant moet jou nog). Inkoop → crediteuren, verkoop → debiteuren. Plak dat desnoods op een briefje.

---

De inkoopkant — inkopen op rekening, met BTW

Nu de inkoopkant grondig. Van Ginkel Solutions BV is een groothandel: die koopt voortdurend spullen in om door te verkopen. Stel: Van Ginkel Solutions BV koopt voor **1.000** aan voorraad in bij een leverancier, op rekening. Boven op die 1.000 komt **21% BTW**, dus 210. De leverancier stuurt een factuur van **1.210** in totaal.

Welke rekeningen bewegen er? Drie stuks:

  • **Inkopen** — dit is een **kostenrekening** (de waarde van wat je inkoopt). Kosten staan altijd **debet**. Bedrag: 1.000 (de prijs zónder BTW).
  • **Te vorderen BTW** — de 210 BTW die je later van de Belastingdienst terugkrijgt. Dat is een **vordering** (een bezit), dus **debet**. Bedrag: 210.
  • **Crediteuren** — je totale schuld aan de leverancier. Schuld erbij = **credit**. Bedrag: 1.210 (het hele factuurbedrag).

De journaalpost wordt dan een **samengestelde post** (twee regels debet, één regel credit):

   Inkopen                  1.000 debet
   Te vorderen BTW            210 debet
       Aan Crediteuren            1.210 credit

Tel even na: debet is 1.000 + 210 = 1.210. Credit is 1.210. **Gelijk!** De gouden regel klopt. En kijk hoe logisch het is: de Inkopen-rekening krijgt alleen de **kale prijs** (1.000), de BTW gaat apart op **Te vorderen BTW** (210), en de **Crediteuren** krijgen het **hele bedrag** dat je de leverancier schuldig bent (1.210). De BTW gaat dus nooit door de Inkopen-kosten heen — die wordt netjes apart gehouden, want je krijgt hem immers terug.

   ┌──────────────────────────────────────────────┐
   │   FACTUUR VAN DE LEVERANCIER                   │
   ├──────────────────────────────────────────────┤
   │   Goederen (kale prijs) ........  1.000        │ → Inkopen (debet)
   │   BTW 21% ......................    210        │ → Te vorderen BTW (debet)
   │   ──────────────────────────────────          │
   │   Totaal te betalen ............  1.210        │ → Crediteuren (credit)
   └──────────────────────────────────────────────┘

> TIP: Splits een inkoopfactuur altijd in twee stukken: de **kale prijs** (→ Inkopen) en de **BTW** (→ Te vorderen BTW). Samen vormen ze het **totaalbedrag** dat naar de Crediteuren gaat. Drie regels, en debet = credit klopt vanzelf.

---

Inkoop mét korting erbij

In de vorige les leerde je over korting. Wat als de leverancier je **korting** geeft? Heel simpel: de korting gaat er eerst af, en je rekent de BTW over het **bedrag ná de korting**. Want over geld dat je niet betaalt, betaal je ook geen BTW.

Stel: Van Ginkel Solutions BV koopt opnieuw voor **1.000** in, maar krijgt nu **10% korting**. Dan reken je:

   Kale prijs ...............  1.000
   Korting 10% (eraf) .......   -100
   ─────────────────────────────────
   Bedrag na korting ........    900   → dit gaat naar Inkopen
   BTW 21% over 900 .........    189   → dit gaat naar Te vorderen BTW
   ─────────────────────────────────
   Totaal te betalen ........  1.089   → dit gaat naar Crediteuren

De korting krijgt dus **geen eigen regel** in de journaalpost — je verwerkt hem gewoon door een lager bedrag op Inkopen te zetten. De journaalpost:

   Inkopen                    900 debet
   Te vorderen BTW            189 debet
       Aan Crediteuren            1.089 credit

Controle: debet 900 + 189 = 1.089. Credit 1.089. Gelijk. Zie je hoe korting en BTW samenwerken? Eerst de korting eraf, dán de BTW erover. Nooit andersom.

> TIP: De volgorde is altijd: **eerst korting eraf, dán BTW erover.** BTW reken je over het bedrag dat je écht betaalt. Reken je per ongeluk eerst de BTW en dan de korting, dan komt het verkeerd uit.

---

De verkoopkant — verkopen op rekening, met BTW

Nu draaien we het om: Van Ginkel Solutions BV **verkoopt** door. Hier ontstaat een opbrengst, debiteuren, en af te dragen BTW. Het is precies de spiegel van de inkoopkant.

Stel: Van Ginkel Solutions BV verkoopt voor **1.500** aan een klant, op rekening. Boven op die 1.500 komt **21% BTW**, dus 315. De klant moet dus **1.815** betalen.

Welke rekeningen bewegen?

  • **Debiteuren** — de klant moet je nog het hele bedrag betalen. Vordering erbij = **debet**. Bedrag: 1.815 (het hele factuurbedrag).
  • **Verkopen** — dit is een **opbrengstrekening**. Opbrengsten staan altijd **credit**. Bedrag: 1.500 (de kale prijs).
  • **Af te dragen BTW** — de 315 BTW die je later móét afdragen aan de Belastingdienst. Dat is een **schuld**, dus **credit**. Bedrag: 315.

De journaalpost (nu één regel debet, twee regels credit):

   Debiteuren               1.815 debet
       Aan Verkopen              1.500 credit
       Aan Af te dragen BTW        315 credit

Controle: debet 1.815. Credit 1.500 + 315 = 1.815. **Gelijk!** Net als bij inkopen krijgt de opbrengstrekening (Verkopen) alleen de **kale prijs**, gaat de BTW apart op **Af te dragen BTW**, en krijgen de **Debiteuren** het **hele bedrag** dat de klant moet betalen.

   INKOOP  (spiegel)            VERKOOP
   ─────────────────            ───────────────────
   Inkopen          debet       Verkopen        credit
   Te vorderen BTW  debet       Af te dragen BTW credit
   Aan Crediteuren  credit      Debiteuren      debet

> TIP: Inkoop en verkoop zijn elkaars spiegel. Bij **inkoop** staat alles wat met de Inkopen te maken heeft links (debet) en de schuld rechts. Bij **verkoop** is het andersom: de vordering links, opbrengst en BTW rechts. Zie je het patroon, dan ken je beide.

---

Verkoop mét korting erbij

En nu het mooiste: een verkoop mét korting. Precies dezelfde regel als bij inkoop — eerst korting eraf, dán BTW erover. Stel: Van Ginkel Solutions BV verkoopt voor **1.500**, maar geeft de klant **10% korting**.

   Kale prijs ...............  1.500
   Korting 10% (eraf) .......   -150
   ─────────────────────────────────
   Bedrag na korting ........  1.350   → dit gaat naar Verkopen
   BTW 21% over 1.350 .......    283,50 → dit gaat naar Af te dragen BTW
   ─────────────────────────────────
   Totaal van de klant ......  1.633,50 → dit gaat naar Debiteuren

De journaalpost:

   Debiteuren             1.633,50 debet
       Aan Verkopen            1.350,00 credit
       Aan Af te dragen BTW      283,50 credit

Controle: debet 1.633,50. Credit 1.350,00 + 283,50 = 1.633,50. Gelijk. De korting verlaagt de Verkopen-opbrengst (van 1.500 naar 1.350), en daardoor ook de BTW (over 1.350 in plaats van 1.500). Alles schuift netjes mee.

> TIP: BTW van 21% reken je uit door het bedrag te vermenigvuldigen met 0,21. Over 1.350 is dat 1.350 × 0,21 = 283,50. In Excel typ je gewoon `=A1*0,21`. Even oefenen en je doet het op de automatische piloot.

---

Het verschil tussen inkoop en verkoop — de brutowinst

Waarom koopt een groothandel eigenlijk in? Om met **winst** door te verkopen. Het verschil tussen wat je voor de goederen betaalt (de **inkoopprijs**) en wat je ervoor terugkrijgt (de **verkoopprijs**) is je **brutowinst**, ook wel **marge** genoemd.

Let op: voor de winst kijk je naar de bedragen **zonder BTW** en **na korting**. De BTW is namelijk niet van jou — die geef je door. Dus de winst zit in het verschil tussen de kale inkoop en de kale verkoop.

   Verkoopprijs (kaal, na korting) ....  1.350
   Inkoopprijs  (kaal) ................ -1.000
   ─────────────────────────────────────────────
   BRUTOWINST (marge) .................    350

Van Ginkel Solutions BV koopt de goederen dus in voor 1.000 en verkoopt ze (na 10% korting) voor 1.350. Daar zit **350 brutowinst** in. Dat is het bedrag waarmee de spullen in waarde zijn gestegen toen ze door de handel van Van Ginkel Solutions BV gingen. Het woordje **bruto** betekent: vóór aftrek van andere kosten (zoals huur en loon). Trek je díé er ook nog af, dan houd je de *netto*winst over — maar dat is voor later.

Inkoopprijs | wat het kostte
De kale prijs die jij betaalt
Zonder BTW
Komt op de Inkopen-rekening
---
Verkoopprijs | wat het opbrengt
De kale prijs die de klant betaalt
Zonder BTW, na korting
Komt op de Verkopen-rekening
---
Brutowinst | het verschil
Verkoopprijs min inkoopprijs
De marge op de handel
Bruto = vóór andere kosten

> TIP: De BTW telt nooit mee in je winst. Je int hem bij de klant en draagt hem af — hij stroomt door je heen. Reken je winst dus altijd met de **kale** bedragen (zonder BTW, na korting). Verkoop kaal min inkoop kaal = brutowinst.

---

De complete keten — alles uit Module 8 samen

Nu het hoogtepunt. We volgen één partij goederen helemaal door Van Ginkel Solutions BV heen: inkopen, verkopen, innen, en afdragen. Vier journaalposten, en je ziet elk stukje uit Module 8 terugkomen. Lees rustig mee.

**Post 1 — Inkoop op rekening.** Van Ginkel Solutions BV koopt voor 1.000 in, 21% BTW (210), totaal 1.210 schuld aan de leverancier.

   Inkopen                  1.000 debet
   Te vorderen BTW            210 debet
       Aan Crediteuren            1.210 credit

**Post 2 — Verkoop op rekening, met 10% korting.** Van Ginkel Solutions BV verkoopt voor 1.500, geeft 10% korting (kaal 1.350), 21% BTW erover (283,50), totaal 1.633,50 die de klant moet betalen.

   Debiteuren             1.633,50 debet
       Aan Verkopen            1.350,00 credit
       Aan Af te dragen BTW      283,50 credit

**Post 3 — De klant betaalt per bank.** De debiteur maakt de 1.633,50 over. De bank groeit (bezit erbij = debet), de vordering verdwijnt (Debiteuren eraf = credit).

   Bank                   1.633,50 debet
       Aan Debiteuren          1.633,50 credit

**Post 4 — De BTW afrekenen met de Belastingdienst.** Aan het eind van het kwartaal verreken je de af te dragen BTW (283,50) met de te vorderen BTW (210). Je draagt per saldo het verschil af: 283,50 − 210 = **73,50**. Beide BTW-rekeningen worden leeggemaakt en het saldo gaat van de bank.

   Af te dragen BTW         283,50 debet
       Aan Te vorderen BTW         210,00 credit
       Aan Bank                     73,50 credit

Controle van post 4: debet 283,50. Credit 210,00 + 73,50 = 283,50. Gelijk. Je hebt de BTW die je inde (283,50) afgerekend met de BTW die je nog tegoed had (210), en het verschil (73,50) overgemaakt aan de Belastingdienst. Precies wat er hoort te gebeuren.

Zet de keten op een rij en zie hoe alles samenwerkt:

| Stap | Wat gebeurt er | Debet | Credit | Bedrag | | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | Inkoop (kaal) | Inkopen | — | 1.000 | | 1 | BTW op inkoop | Te vorderen BTW | — | 210 | | 1 | Schuld leverancier | — | Crediteuren | 1.210 | | 2 | Vordering klant | Debiteuren | — | 1.633,50 | | 2 | Verkoop (kaal, na korting) | — | Verkopen | 1.350 | | 2 | BTW op verkoop | — | Af te dragen BTW | 283,50 | | 3 | Klant betaalt | Bank | Debiteuren | 1.633,50 | | 4 | BTW afrekenen | Af te dragen BTW | Te vorderen BTW + Bank | 283,50 |

Karin wijst de tabel langs met haar pen. *"Kijk eens wat hier gebeurt. Je kocht in voor 1.000, verkocht voor 1.350 — daar zit 350 brutowinst in. De BTW die je inde (283,50) reken je af met de BTW die je betaalde (210), en je draagt het verschil af (73,50). Elk stukje van Module 8 zit erin: inkopen, verkopen, debiteuren, crediteuren, korting, beide soorten BTW. En bij élke post klopt debet = credit. Dít is een complete handelstransactie. En jij snapt hem nu."*

> TIP: Een hele keten lijkt veel, maar het is gewoon vier losse posten achter elkaar — en elke post ken je al apart. Controleer ze stuk voor stuk op debet = credit. Klopt elke post los, dan klopt de hele keten.

---

Retouren — als een klant iets terugstuurt

Eén ding nog, kort. Soms stuurt een klant iets **terug**: het was kapot, of toch niet wat hij wilde. Dan maak je geen gewone factuur, maar een **creditfactuur** (ook wel creditnota). Dat is een factuur "andersom": je draait de verkoop voor dat deel terug.

Stel een klant stuurt goederen terug ter waarde van **200** (kaal), met 21% BTW (42), totaal 242. Je draait dan precies de verkoopboeking om: de Verkopen daalt, de af te dragen BTW daalt, en de vordering op de klant (of zijn tegoed) daalt. De debet- en creditkanten wisselen dus van plek vergeleken met een gewone verkoop:

   Verkopen                   200 debet
   Af te dragen BTW            42 debet
       Aan Debiteuren             242 credit

Controle: debet 200 + 42 = 242. Credit 242. Gelijk. Bij een verkoop stond Verkopen credit; bij een retour staat hij debet, want de opbrengst wordt juist kleiner. Hetzelfde geldt bij een **inkoopretour** (jij stuurt iets terug naar je leverancier): dan draai je de inkoopboeking om. Meer hoef je voor nu niet te weten — onthoud alleen: **een retour is de verkoop (of inkoop) andersom.**

> TIP: Bij een retour wisselt alles van kant. Stond een rekening bij de verkoop credit? Bij de retour staat hij debet, en omgekeerd. Je "gumt" als het ware een stukje van de oorspronkelijke boeking uit.

---

Geen zorgen — en Module 8 op een rij

Even achteroverleunen. Dat was de meest complete les tot nu toe, en als je nu denkt "pfoe, dat was veel" — heel normaal. Je hoeft dit niet in één keer perfect te kunnen. Niemand kan dat. Je krijgt het in je vingers door het te **doen**, niet door het uit je hoofd te leren. En kijk eens wat je nu allemaal kunt: een complete handelstransactie boeken, van inkoop tot afdracht.

   MODULE 8 — DE COMPLETE HANDELSTRANSACTIE

   1.  INKOPEN        Inkopen (debet) + Te vorderen BTW (debet)
        │             Aan Crediteuren (credit)
   2.  VERKOPEN       Debiteuren (debet)
        │             Aan Verkopen (credit) + Af te dragen BTW (credit)
   3.  KORTING        eerst eraf, dán BTW erover
        │
   4.  BRUTOWINST     verkoop kaal − inkoop kaal
        │
   5.  BTW AFREKENEN  af te dragen − te vorderen = afdracht
Wat je vandaag leerde | de hele keten
Inkopen met te vorderen BTW
Verkopen met af te dragen BTW
Korting, brutowinst, afdracht
---
De spiegel | inkoop ↔ verkoop
Inkoop: Inkopen + BTW debet
Verkoop: Verkopen + BTW credit
Crediteuren ↔ Debiteuren
---
Module 8 compleet | BTW & handel
BTW, kortingen, en nu de transactie
Alles bij elkaar in échte posten
Klaar voor de volgende module

Karin legt haar hand even op tafel. *"Ik meen het: je hebt vandaag iets gedaan wat veel mensen nooit onder de knie krijgen — een complete handelstransactie boeken, mét BTW en korting, van inkoop tot afdracht. Was het nog niet in één keer foutloos? Dat hóéft niet. Dat went vanzelf door te doen. Onthoud het ritme: inkoop links, verkoop rechts, korting eerst eraf, BTW erover, en debet altijd gelijk aan credit. In de missie ga je het nu zelf doen, in een echt inkoop- en verkoopjournaal van Van Ginkel Solutions BV. Goed bezig, echt waar."*

> TIP: Plak desnoods een spiekbriefje bij je scherm: "Inkoop: Inkopen + te vorderen BTW debet, Aan Crediteuren. Verkoop: Debiteuren debet, Aan Verkopen + af te dragen BTW. Korting eerst, BTW erover." Na een week oefenen heb je dat briefje niet meer nodig.

---

Missie

STORY: Karin schuift haar stoel bij en legt een mapje met facturen naast je toetsenbord. *"Vandaag word jij de boekhouder van Van Ginkel Solutions BV, en wel voor de complete handel. Hier zijn een paar inkoop- en verkoopfacturen van deze week. Jouw taak: maak in Excel een inkoop- en verkoopjournaal, journaliseer de transacties — met BTW én korting — en reken aan het eind uit hoeveel brutowinst we hebben gemaakt en hoeveel BTW we moeten afdragen. We doen het stap voor stap, met SOM-formules voor de controle, en je kunt niets fout doen — staat er iets verkeerd, dan typ je het gewoon opnieuw. Klaar? We beginnen helemaal linksboven."*

Stap 1 — Maak een journaal-tabel

Start Excel op met een **Leeg werkblad**. We maken een nette journaal-tabel met vier kolommen: **Datum**, **Rekening**, **Debet** en **Credit**.

Typ de kopjes. Klik op cel **A1** en typ `Datum`. Klik op **B1** en typ `Rekening`. Klik op **C1** en typ `Debet`. Klik op **D1** en typ `Credit`. Maak de kopregel even vet (selecteer rij 1, klik op **B** voor vet).

        A          B                    C        D
   ┌──────────┬────────────────────┬─────────┬─────────┐
 1 │ Datum    │ Rekening           │ Debet   │ Credit  │
 2 │          │                    │         │         │
   └──────────┴────────────────────┴─────────┴─────────┘

Onthoud: per transactie komen er meerdere regels, en de debetregels staan boven, de creditregels (met `Aan`) eronder. Per post moet debet altijd gelijk zijn aan credit.

Stap 2 — Journaliseer de inkoop (met BTW)

De eerste factuur: op **2 jun** koopt Van Ginkel Solutions BV voor **2.000** aan voorraad in op rekening, met **21% BTW**. Reken eerst even uit: BTW = 2.000 × 0,21 = **420**. Totale schuld aan de leverancier = 2.000 + 420 = **2.420**.

Typ de inkoopboeking in. Eerst de twee debetregels (bedragen in kolom C), dan de creditregel (bedrag in kolom D):

        A          B                    C        D
   ┌──────────┬────────────────────┬─────────┬─────────┐
 2 │ 2 jun    │ Inkopen            │  2.000  │         │
 3 │          │ Te vorderen BTW    │    420  │         │
 4 │          │ Aan Crediteuren    │         │  2.420  │
   └──────────┴────────────────────┴─────────┴─────────┘

Controleer in je hoofd: debet 2.000 + 420 = 2.420, credit 2.420. Gelijk. De inkoop staat erin.

Stap 3 — Journaliseer de verkoop (met BTW én korting)

De tweede factuur: op **3 jun** verkoopt Van Ginkel Solutions BV voor **3.000** op rekening, met **10% korting** en **21% BTW**. Reken stap voor stap:

   Kale prijs ...............  3.000
   Korting 10% (eraf) .......   -300
   ─────────────────────────────────
   Na korting ...............  2.700   → Verkopen
   BTW 21% over 2.700 .......    567   → Af te dragen BTW
   ─────────────────────────────────
   Totaal van de klant ......  3.267   → Debiteuren

Typ de verkoopboeking eronder. Nu één debetregel (Debiteuren, kolom C) en twee creditregels (kolom D):

        A          B                    C        D
   ┌──────────┬────────────────────┬─────────┬─────────┐
 5 │ 3 jun    │ Debiteuren         │  3.267  │         │
 6 │          │ Aan Verkopen       │         │  2.700  │
 7 │          │ Aan Af te dragen BTW│        │    567  │
   └──────────┴────────────────────┴─────────┴─────────┘

Controleer: debet 3.267, credit 2.700 + 567 = 3.267. Gelijk. De verkoop met korting staat erin.

Stap 4 — Controleer met SOM: is debet gelijk aan credit?

Nu de gouden regel controleren over het hele journaal. Klik op cel **C9** (een paar regels onder je tabel) en typ de formule, gevolgd door **Enter**:

=SOM(C2:C7)

Dat is het totaal van de hele Debet-kolom. Klik nu op cel **D9** en typ:

=SOM(D2:D7)

Zet er in **B9** nog even het woord `Totaal` bij.

        A          B                    C        D
   ┌──────────┬────────────────────┬─────────┬─────────┐
 8 │          │                    │         │         │
 9 │          │ Totaal             │  5.687  │  5.687  │  ← =SOM
   └──────────┴────────────────────┴─────────┴─────────┘

Tel zelf even mee: debet is 2.000 + 420 + 3.267 = **5.687**. Credit is 2.420 + 2.700 + 567 = **5.687**. **Beide totalen zijn 5.687 — ze zijn gelijk!** Je journaal klopt.

> TIP: Wil je het nóg netter? Klik op cel **C10** en typ `=C9-D9`. Daar verschijnt dan **0**. Een nul betekent: debet en credit zijn precies gelijk. Een ander getal is je alarmbelletje.

Stap 5 — Reken de brutowinst uit

Nu het leukste: hoeveel hebben we verdiend? De brutowinst is de **kale verkoop** min de **kale inkoop** (allebei zonder BTW). De kale inkoop was 2.000, de kale verkoop (na korting) was 2.700.

Maak rechts een klein blokje. Klik op **F1** en typ `Brutowinst`. Klik op **F2** en typ `Kale verkoop`, en op **G2** typ je `2700`. Klik op **F3** en typ `Kale inkoop`, en op **G3** typ je `2000`. Klik nu op **F4** en typ `Brutowinst`, en op **G4** typ je de formule:

=G2-G3
        F                G
   ┌──────────────────┬─────────┐
 1 │ Brutowinst       │         │
 2 │ Kale verkoop     │  2.700  │
 3 │ Kale inkoop      │  2.000  │
 4 │ Brutowinst       │    700  │  ← =G2-G3
   └──────────────────┴─────────┘

In **G4** verschijnt **700**. Van Ginkel Solutions BV kocht de partij in voor 2.000 en verkocht hem (na korting) voor 2.700 — daar zit dus **700 brutowinst** in.

Stap 6 — Reken de af te dragen BTW uit

Tot slot: hoeveel BTW moet Van Ginkel Solutions BV per saldo afdragen? Dat is de **af te dragen BTW** (uit de verkoop) min de **te vorderen BTW** (uit de inkoop).

Klik op **F6** en typ `BTW afrekenen`. Klik op **F7** en typ `Af te dragen BTW`, en op **G7** typ je `567`. Klik op **F8** en typ `Te vorderen BTW`, en op **G8** typ je `420`. Klik nu op **F9** en typ `Per saldo afdragen`, en op **G9** typ je:

=G7-G8
        F                  G
   ┌────────────────────┬─────────┐
 6 │ BTW afrekenen      │         │
 7 │ Af te dragen BTW   │    567  │
 8 │ Te vorderen BTW    │    420  │
 9 │ Per saldo afdragen │    147  │  ← =G7-G8
   └────────────────────┴─────────┘

In **G9** verschijnt **147**. Van Ginkel Solutions BV inde 567 BTW bij de klant en betaalde zelf 420 BTW aan de leverancier — het verschil, **147**, draag je af aan de Belastingdienst.

**Karin kijkt over je schouder mee en knikt tevreden.** *"Kijk eens aan. Je hebt een echt inkoop- en verkoopjournaal gemaakt, een inkoop mét BTW en een verkoop mét korting én BTW gejournaliseerd, met SOM gecontroleerd dat debet en credit allebei 5.687 waren, en je hebt zelfs uitgerekend dat we 700 brutowinst maakten en 147 BTW moeten afdragen. Dat, beste, is een complete handelstransactie van begin tot eind. Precies wat een echte boekhouder bij een groothandel doet. Onthoud het ritme: korting eerst eraf, BTW erover, en debet altijd gelijk aan credit. En als het nog niet in één keer perfect ging — heel normaal. Dit went vanzelf door te doen. Je hebt Module 8 nu helemaal in de vingers. Goed bezig, echt."*