"Kostensoorten"
"Module 10 · Vaste activa & afschrijven"
"Kosten ordenen: vast en variabel, en wat kosten eigenlijk zijn"
Concepts
Welkom terug — van afschrijven naar het grotere plaatje
Fijn dat je er weer bent. Vorige les (ch10a) leerde je **afschrijven**: een dure bestelbus koopt Van Ginkel Solutions BV niet als kosten van één maand, maar je verdeelt de waardevermindering over alle jaren dat je de bus gebruikt. Een stukje per jaar. Die jaarlijkse hap heet **afschrijvingskosten**, en dat is — let op — gewoon één van de vele soorten kosten die een bedrijf maakt.
Vandaag zoomen we uit. Want afschrijving is niet de enige kost. Van Ginkel Solutions BV betaalt ook huur voor het magazijn, loon aan het personeel, reclame om klanten te trekken, de energierekening, verzekeringen, rente aan de bank, en natuurlijk de inkoop van de spullen die het verkoopt. Een hele berg uitgaven. En als je die berg niet ordent, zie je door de bomen het bos niet meer.
Karin schuift haar stoel bij. *"Een ondernemer die niet weet waar zijn geld heen gaat, kan niet sturen. Hij weet wel dat er aan het eind van de maand veel weg is, maar niet waaraan. Daarom delen we kosten in — in **kostensoorten**. Zo zie je in één oogopslag: zóveel ging naar personeel, zóveel naar huisvesting, zóveel naar reclame. Pas dán kun je zeggen: hé, die reclame loopt uit de hand, daar ga ik wat aan doen. Vandaag leer je die ordening, en een tweede indeling die nóg belangrijker wordt: vast versus variabel."*
> TIP: Onthoud waarom we kosten indelen: niet voor de mooi, maar om te kunnen **sturen**. Wie weet waar zijn geld heen gaat, kan bijsturen. Wie het niet weet, vaart blind.
---
Wat zijn kosten precies?
We gebruiken het woord "kosten" de hele tijd, maar laten we het scherp krijgen. **Kosten zijn het verbruik van geld en middelen dat nodig is om te kunnen werken.** Even langzaam: om een bedrijf te laten draaien verbruik je van alles. Je verbruikt arbeid (het personeel werkt uren), je verbruikt ruimte (het magazijn), je verbruikt energie (licht, verwarming), je verbruikt de waarde van je bus (die slijt). Al dat verbruik, uitgedrukt in euro's, noemen we kosten.
Het kernwoord is **verbruik**. Kosten zijn wat er in een bepaalde periode "opgaat" om de zaak te laten draaien. Een maand huur is verbruik van een maand ruimte. Een maand loon is verbruik van een maand werk. De afschrijving van een maand is het stukje busverbruik van die maand.
Waarom zijn kosten zo belangrijk? Omdat ze tegenover je **omzet** staan. Omzet is wat je binnenkrijgt door te verkopen; kosten zijn wat je verbruikt om dat te kunnen doen. Het verschil tussen die twee is je **winst** (of verlies). Geen grip op je kosten betekent geen grip op je winst.
Kosten | het idee
Verbruik van geld en middelen
Nodig om te kunnen werken
Uitgedrukt in euro's per periode
---
Tegenover omzet | de winst
Omzet komt binnen, kosten gaan op
Omzet min kosten = winst
Grip op kosten = grip op winst
---
Het kernwoord | verbruik
Niet "geld dat weggaat"
Maar "wat er opgaat in een periode"
Daar komen we straks op terug> TIP: Kosten staan tegenover omzet. Omzet − kosten = winst. Daarom is elke euro kosten die je kunt verlagen (zonder je omzet te schaden) een euro extra winst. Dat is de hele reden dat ondernemers zo op kosten letten.
---
De belangrijkste kostensoorten
Nu gaan we ordenen. We delen alle kosten van Van Ginkel Solutions BV in **kostensoorten** in: groepjes van gelijksoortige kosten. Net zoals je in Module 9 transacties in dagboeken sorteerde, sorteren we hier kosten in soorten. Hieronder de belangrijkste, elk met een voorbeeld bij Van Ginkel Solutions BV.
**Inkoopwaarde van de omzet.** Dit is vaak de grootste kostensoort van een handelsbedrijf. Het is de inkoopprijs van de goederen die je hebt verkocht. Verkoopt Van Ginkel Solutions BV deze maand spullen die het zelf voor **40.000** had ingekocht, dan is de inkoopwaarde van de omzet 40.000. Let op het woord *verkochte*: het gaat om wat er de deur uit ging, niet om wat je inkocht. Spullen die nog in het magazijn liggen zijn nog geen kosten — die zijn voorraad.
**Personeelskosten.** Alles wat je personeel kost: lonen, salarissen, en wat een werkgever er nog bovenop betaalt aan premies. Van Ginkel Solutions BV heeft drie medewerkers in het magazijn en betaalt samen **9.000** loon per maand.
**Huisvestingskosten.** De kosten van het pand waarin je werkt: huur, energie (gas, licht), water, schoonmaak. Van Ginkel Solutions BV huurt een magazijn voor **2.500** per maand en betaalt **600** aan energie. Samen 3.100 huisvestingskosten.
**Afschrijvingskosten.** Die ken je al van ch10a: het stukje waardevermindering van je vaste activa per periode. De bestelbus en de stellingen van Van Ginkel Solutions BV schrijven samen voor **800** per maand af.
**Verkoopkosten.** Alle kosten die je maakt om te verkopen: reclame, advertenties, een folder, de kosten van bezorging. Van Ginkel Solutions BV geeft **1.200** per maand uit aan online advertenties.
**Algemene kosten.** De restgroep: kantoorbenodigdheden, verzekeringen, telefoon, boekhoudsoftware, de accountant. Van Ginkel Solutions BV rekent hier **900** per maand.
**Rentekosten.** Heb je geld geleend (bijvoorbeeld voor die bus), dan betaal je de bank rente. Dat is een kostensoort apart. Van Ginkel Solutions BV betaalt **300** rente per maand op een lening.
KOSTENSOORTEN NEXUS RETAIL — deze maand
Inkoopwaarde van de omzet ...... 40.000
Personeelskosten ............... 9.000
Huisvestingskosten ............. 3.100
Afschrijvingskosten ............ 800
Verkoopkosten .................. 1.200
Algemene kosten ................ 900
Rentekosten .................... 300
──────────────────────────────────────
TOTALE KOSTEN .................. 55.300Zie je hoe veel rustiger dat oogt dan één grote berg? Je ziet meteen dat de inkoopwaarde verreweg het grootst is, en dat personeel de tweede grote post is. Dát is wat indelen je geeft: overzicht waarop je kunt sturen.
> TIP: Je hoeft deze zeven soorten niet uit je hoofd te leren als een rijtje. Onthoud het idee: gelijksoortige kosten zet je bij elkaar in een soort, zodat je per groep ziet hoeveel het is. De namen wennen vanzelf als je ze gebruikt.
---
Constante (vaste) versus variabele kosten
Nu komt een tweede manier om kosten in te delen, en deze is misschien wel de belangrijkste van de hele les — want je hebt hem straks keihard nodig voor kostprijs en winst (vooruitblik Cursus B). We delen kosten nu niet in naar *waar ze voor zijn* (huur, loon, reclame), maar naar hoe ze zich gedragen als je **meer of minder verkoopt**.
Sommige kosten lopen gewoon door, of je nu veel of weinig verkoopt. De huur van je magazijn is elke maand 2.500, of je nu een topmaand of een slappe maand hebt. Die kosten heten **constante kosten** of **vaste kosten**. Ze staan vast; de omzet verandert er niets aan.
Andere kosten bewegen mee met hoeveel je verkoopt. Verkoop je twee keer zo veel, dan koop je ook ongeveer twee keer zo veel in — dus de inkoopwaarde van de omzet verdubbelt mee. Die kosten heten **variabele kosten**: ze variëren (veranderen) met de productie of verkoop.
Karin tekent het op een briefje. *"Het verschil zit hem in één vraag: als de verkoop omhoog of omlaag gaat, beweegt deze kost dan mee? Ja → variabel. Nee, hij loopt gewoon door → vast. De huur betaal je ook als je een maand niks verkoopt; dat is vast. Maar als je niks verkoopt, koop je ook niks in; die inkoopwaarde beweegt mee, dat is variabel."*
┌──────────────────────────┬──────────────────────────┐
│ VASTE (CONSTANTE) │ VARIABELE KOSTEN │
│ KOSTEN │ │
├──────────────────────────┼──────────────────────────┤
│ Lopen door, ook bij │ Bewegen mee met de │
│ weinig of geen omzet │ verkoop / productie │
├──────────────────────────┼──────────────────────────┤
│ Huur magazijn │ Inkoopwaarde van omzet │
│ Afschrijving │ Bezorgkosten per order │
│ Vast loon, verzekering │ Verpakkingsmateriaal │
│ Rente op lening │ Provisie per verkoop │
└──────────────────────────┴──────────────────────────┘
"Of je nu verkoopt of niet" "Meer verkoop = meer kost"Laten we de kostensoorten van Van Ginkel Solutions BV eens langs deze meetlat leggen. Welke lopen gewoon door, en welke bewegen mee met de verkoop?
| Kostensoort | Bedrag | Vast of variabel? | Waarom | |---|---|---|---| | Inkoopwaarde van de omzet | 40.000 | variabel | meer verkoop = meer ingekocht | | Personeelskosten (vast loon) | 9.000 | vast | salaris loopt door, ook in een slappe maand | | Huisvestingskosten | 3.100 | vast | huur en energie staan vast | | Afschrijvingskosten | 800 | vast | de bus slijt ook in een rustige maand | | Verkoopkosten (reclame) | 1.200 | vast | het advertentiebudget staat vast | | Algemene kosten | 900 | vast | verzekering, kantoor: vast | | Rentekosten | 300 | vast | rente op de lening staat vast |
Tel je het op: de **variabele kosten** zijn 40.000, de **vaste kosten** zijn 9.000 + 3.100 + 800 + 1.200 + 900 + 300 = **15.300**. Samen weer 55.300 — hetzelfde totaal als eerder, maar nu anders gerangschikt.
Vaste (constante) kosten | staan vast
Lopen door, ongeacht de omzet
Huur, afschrijving, vast loon, rente
Van Ginkel Solutions BV: 15.300 per maand
---
Variabele kosten | bewegen mee
Veranderen met productie/verkoop
Inkoopwaarde, bezorging, verpakking
Van Ginkel Solutions BV: 40.000 deze maand
---
De toetsvraag | meebewegen?
Beweegt de kost mee met de verkoop?
Ja → variabel · Nee → vast
Eén vraag, en je weet het> TIP: De truc om vast en variabel te scheiden: stel je voor dat de verkoop deze maand naar nul zakt. Welke kosten blijven dan toch komen? Dat zijn je vaste kosten. Wat verdwijnt of krimpt mee? Dat zijn je variabele kosten.
> TIP: Pas op met "personeelskosten". Een vast salaris is vaste kost. Maar betaal je iemand per gewerkt uur dat met de drukte meebeweegt, of een provisie per verkoop, dan is dát stuk variabel. Het hangt af van hóé je betaalt, niet alleen van de naam.
---
Waarom vast en variabel zo belangrijk zijn
Misschien denk je: leuk onderscheid, maar wat heb ik eraan? Heel veel. Het verschil tussen vast en variabel is de basis van bijna alle latere berekeningen over winst en prijs.
Stel: Van Ginkel Solutions BV heeft een slappe maand en de omzet halveert. Wat gebeurt er met de kosten? De variabele kosten halveren mee — koop je de helft minder in, dan is de inkoopwaarde ook de helft. Maar de **vaste kosten van 15.300 blijven gewoon staan.** Huur, loon, rente: het komt allemaal door. Daarom is een slappe maand zo gevaarlijk: je omzet zakt, maar een groot deel van je kosten zakt niet mee.
En andersom: in een topmaand bewegen je variabele kosten mee omhoog, maar je vaste kosten blijven gelijk. Elke extra verkoop hoeft alleen de variabele kosten te dekken — de vaste kosten waren toch al betaald. Daarom kan een extra grote maand zo lekker winstgevend zijn.
Karin knikt. *"Dit is waarom een ondernemer wakker ligt van zijn vaste lasten. Variabele kosten passen zich vanzelf aan: verkoop je weinig, dan koop je weinig in. Maar je vaste lasten — huur, loon, rente — die moet je elke maand ophoesten, druk of niet. Hoe lager je vaste lasten, hoe makkelijker je een slappe maand overleeft. Dit onderscheid komt in Cursus B terug bij de kostprijs, maar het zaadje plant ik vandaag."*
> TIP: Vuistregel voor later: vaste kosten zijn je risico in slappe tijden (ze lopen door) én je voordeel in goede tijden (ze stijgen niet mee met de verkoop). Daarom willen ondernemers hun vaste lasten graag laag houden.
---
Kosten zijn niet hetzelfde als uitgaven
Tot slot een verschil dat in het begin verwarrend is, maar dat je nu — met alles wat je al weet — prima aankunt. We gebruiken "kosten" en "uitgaven" in het dagelijks leven door elkaar, maar in de boekhouding zijn het echt twee verschillende dingen.
Een **uitgave** is simpel: er gaat geld de deur uit. Je betaalt iets; je banksaldo daalt. Een **kost** is iets anders: het is het *verbruik* in een bepaalde periode (daar is dat kernwoord weer). Vaak vallen ze samen — je betaalt de energierekening (uitgave) voor energie die je die maand verbruikte (kost). Maar lang niet altijd. En juist die gevallen waarin ze níét samenvallen, laten zien waarom het twee verschillende begrippen zijn.
Twee duidelijke voorbeelden bij Van Ginkel Solutions BV:
**Afschrijving: kosten zonder uitgave.** De bus van Van Ginkel Solutions BV werd vorig jaar in één keer betaald — toen ging het geld de deur uit (uitgave). Maar de bus is kosten van álle jaren dat je hem gebruikt, via de afschrijving. De afschrijving van deze maand (800) is dus wél een kost (verbruik van een stukje bus), maar géén uitgave (er gaat deze maand geen euro voor de deur uit). Kosten zonder uitgave.
**Voorraad inkopen: uitgave die pas later kost wordt.** Koopt Van Ginkel Solutions BV voor 40.000 nieuwe voorraad in, dan gaat dat geld nu de deur uit — dat is een uitgave. Maar zolang die spullen in het magazijn liggen, zijn ze nog geen kost; ze zijn voorraad, een bezit. Pas op het moment dat je ze verkoopt, worden ze kost (de inkoopwaarde van de omzet). Een uitgave nu, die pas later kost wordt.
┌──────────────────────────────────────────────────┐
│ UITGAVE KOST │
│ geld gaat de deur uit verbruik in periode │
├──────────────────────────────────────────────────┤
│ Bus betaald (vorig jaar) afschrijving elke mnd │
│ → uitgave, geen kost nu → kost, geen uitgave │
├──────────────────────────────────────────────────┤
│ Voorraad ingekocht pas bij verkoop │
│ → uitgave nu → dán pas kost │
├──────────────────────────────────────────────────┤
│ Energierekening betaald energie deze maand │
│ → uitgave EN kost (vallen samen) │
└──────────────────────────────────────────────────┘Houd het simpel: een uitgave gaat over **geld** (de deur uit), een kost gaat over **verbruik** (in een periode). Soms vallen ze samen, soms niet. Voor jou als beginnend boekhouder is het genoeg dat je dít herkent: afschrijving is kost zonder uitgave, en voorraad inkopen is een uitgave die pas kost wordt zodra je verkoopt.
Uitgave | geld weg
Er gaat geld de deur uit
Je banksaldo daalt
Gaat over het moment van betalen
---
Kost | verbruik
Wat opgaat in een periode
Staat tegenover de omzet
Gaat over het moment van gebruiken
---
Vallen ze samen? | soms
Energierekening: ja, samen
Afschrijving: kost zonder uitgave
Voorraad: uitgave, later pas kost> TIP: Het haakje om dit te onthouden: uitgave = geld weg, kost = verbruik. De bus laat het mooi zien — de uitgave was één keer, de kosten (afschrijving) druppelen jaren door. Geld en verbruik zijn niet hetzelfde moment.
---
Geen zorgen — en de les op een rij
Even achteroverleunen. Je hebt vandaag flink wat geordend. Je weet nu wat **kosten** zijn (verbruik van geld en middelen om te kunnen werken), en waarom je ze indeelt in **kostensoorten** (om te kunnen sturen). Je kent de belangrijkste soorten: inkoopwaarde, personeel, huisvesting, afschrijving, verkoop, algemeen en rente. Je kent de tweede, cruciale indeling: **vast versus variabel** — lopen ze door, of bewegen ze mee met de verkoop. En je weet dat **kosten en uitgaven** twee verschillende dingen zijn.
MODULE 10 — KOSTENSOORTEN OP EEN RIJ
KOSTEN verbruik van geld/middelen om te werken
│ staan tegenover omzet → winst
KOSTENSOORTEN gelijksoortige kosten bij elkaar
│ inkoop · personeel · huisvesting · enz.
VAST / VARIABEL vast = loopt door · variabel = beweegt mee
│ basis voor kostprijs (Cursus B)
KOST ≠ UITGAVE kost = verbruik · uitgave = geld weg
afschrijving = kost zonder uitgaveKarin legt haar hand op tafel. *"Mooi gedaan. Onthoud vooral die twee indelingen: naar soort (waar gaat het geld heen) en naar gedrag (vast of variabel). Met die twee brillen kijkt een ondernemer naar zijn kosten. In de missie ga je het nu zelf in Excel zetten — een echt kostenoverzicht van Van Ginkel Solutions BV, met een kolom voor de soort en een kolom voor vast of variabel, en je telt zelf de totalen uit. Je doet vandaag veel zelf, want je kunt dit allang. Aan de slag."*
> TIP: De kernzin van de hele les past op een briefje: "Deel kosten in naar soort én naar vast/variabel." Soort vertelt je waar het geld heen gaat; vast/variabel vertelt je hoe het zich gedraagt als de verkoop verandert. Twee brillen, samen geven ze grip.
---
Missie
STORY: Karin legt een lijstje met bedragen naast je toetsenbord. *"Vandaag bouw jij het kostenoverzicht van Van Ginkel Solutions BV in Excel. We zetten alle kostensoorten onder elkaar, met een kolom voor de soort en een kolom waarin staat of het vast of variabel is. Daarna tel je met SOM het totaal, en met SOM.ALS splits je netjes de vaste van de variabele kosten. Je doet vandaag veel zelf — ik wijs de weg, jij typt en rekent mee. We beginnen linksboven."*
Stap 1 — Maak de kop van het kostenoverzicht
Start Excel met een **Leeg werkblad**. We maken een tabel met drie kolommen: **Kostensoort**, **Bedrag** en **Vast/variabel**.
Klik op cel **A1** en typ `Kostensoort`. Klik op **B1** en typ `Bedrag`. Klik op **C1** en typ `Vast/variabel`. Maak de kopregel even vet: selecteer rij 1 en klik op **B** voor vet.
A B C
┌─────────────────────────┬──────────┬───────────────┐
1 │ Kostensoort │ Bedrag │ Vast/variabel │
2 │ │ │ │
└─────────────────────────┴──────────┴───────────────┘Stap 2 — Vul de zeven kostensoorten in
Hier is het lijstje van Karin. Vul het zelf in, één kostensoort per rij, vanaf rij 2. Typ de bedragen zonder punt of euroteken (gewoon `40000`), dan kan Excel ermee rekenen. In de derde kolom typ je `vast` of `variabel`.
- Rij 2: `Inkoopwaarde van de omzet`, `40000`, `variabel`
- Rij 3: `Personeelskosten`, `9000`, `vast`
- Rij 4: `Huisvestingskosten`, `3100`, `vast`
- Rij 5: `Afschrijvingskosten`, `800`, `vast`
- Rij 6: `Verkoopkosten`, `1200`, `vast`
- Rij 7: `Algemene kosten`, `900`, `vast`
- Rij 8: `Rentekosten`, `300`, `vast`
Zo ziet het eruit als je klaar bent:
A B C
┌─────────────────────────┬──────────┬───────────────┐
1 │ Kostensoort │ Bedrag │ Vast/variabel │
2 │ Inkoopwaarde van omzet │ 40.000 │ variabel │
3 │ Personeelskosten │ 9.000 │ vast │
4 │ Huisvestingskosten │ 3.100 │ vast │
5 │ Afschrijvingskosten │ 800 │ vast │
6 │ Verkoopkosten │ 1.200 │ vast │
7 │ Algemene kosten │ 900 │ vast │
8 │ Rentekosten │ 300 │ vast │
└─────────────────────────┴──────────┴───────────────┘Dit is je kostenoverzicht: alle kostensoorten netjes onder elkaar, met per soort het bedrag én of het vast of variabel is. Nu kun je gaan tellen.
Stap 3 — Tel het totaal met SOM
Eerst het grote totaal: hoeveel kosten maakt Van Ginkel Solutions BV deze maand in totaal? Klik op cel **B10** (twee regels onder de lijst) en typ de formule, gevolgd door **Enter**:
=SOM(B2:B8)Zet er in **A10** even het woord `Totale kosten` bij, zodat je weet wat dat getal is.
A B C
┌─────────────────────────┬──────────┬───────────────┐
10 │ Totale kosten │ 55.300 │ ← =SOM │
└─────────────────────────┴──────────┴───────────────┘In **B10** verschijnt **55.300**. Reken zelf even mee: 40.000 + 9.000 + 3.100 + 800 + 1.200 + 900 + 300 = **55.300**. Dat zijn alle kosten van Van Ginkel Solutions BV deze maand bij elkaar.
Stap 4 — Splits vast en variabel met SOM.ALS
Nu het mooie. We willen weten: hoeveel van die 55.300 is **vast**, en hoeveel is **variabel**? Daarvoor gebruiken we een nieuwe functie: **SOM.ALS**. Die telt alleen de bedragen op waarbij in de andere kolom een bepaald woord staat. Je geeft hem drie dingen: *waar moet ik kijken*, *welk woord zoek ik*, en *wat tel ik dan op*.
Klik op **A12** en typ `Vaste kosten`. Klik op **B12** en typ de formule:
=SOM.ALS(C2:C8;"vast";B2:B8)Lees de formule hardop: kijk in C2:C8, en overal waar `vast` staat, tel het bijbehorende bedrag uit B2:B8 op. Klik nu op **A13** en typ `Variabele kosten`, en in **B13**:
=SOM.ALS(C2:C8;"variabel";B2:B8) A B C
┌─────────────────────────┬──────────┬───────────────┐
12 │ Vaste kosten │ 15.300 │ ← =SOM.ALS │
13 │ Variabele kosten │ 40.000 │ ← =SOM.ALS │
└─────────────────────────┴──────────┴───────────────┘In **B12** verschijnt **15.300** (dat zijn de zes vaste posten: 9.000 + 3.100 + 800 + 1.200 + 900 + 300) en in **B13** verschijnt **40.000** (de enige variabele post, de inkoopwaarde). Excel heeft het sorteerwerk voor je gedaan op basis van de woorden in kolom C.
Stap 5 — Bouw zelf de controle in
Net als in de vorige les bouwen we een controle. Als je vaste en variabele kosten klopt, moet hun som gelijk zijn aan het totaal uit stap 3. Klik op **A15** en typ `Controle (moet 0 zijn)`. Klik op **B15** en typ zelf de formule die het totaal vergelijkt met de som van vast plus variabel:
=B10-(B12+B13)Deze formule trekt vast + variabel (B12 + B13) af van het totaal (B10). Klopt alles, dan komt er **0** te staan.
A B
┌─────────────────────────┬──────────┐
15 │ Controle (moet 0 zijn) │ 0 │ ← =B10-(B12+B13)
└─────────────────────────┴──────────┘In **B15** verschijnt **0**: 55.300 − (15.300 + 40.000) = 0. Dat betekent dat je vaste en variabele kosten samen precies het totaal vormen — je hebt elke kostensoort precies één keer meegeteld, niets vergeten en niets dubbel. Mooi sluitend.
Stap 6 — Maak het af en lever op
Je hebt nu een compleet kostenoverzicht van Van Ginkel Solutions BV: alle kostensoorten ingedeeld, een SOM-totaal van 55.300, en met SOM.ALS netjes gesplitst in 15.300 vast en 40.000 variabel, met een controle die op 0 sluit.
Maak het even netjes af: zet de bedragen in kolom B in euro-opmaak als je wilt (selecteer B2:B15, kies een getalopmaak met scheidingsteken), en sla het bestand op als `Kostenoverzicht Van Ginkel Solutions BV`.
Kijk nog één keer naar wat je gebouwd hebt: zeven kostensoorten met hun gedrag (vast of variabel), een totaal van 55.300, een splitsing in 15.300 vast en 40.000 variabel, en een controle die bewijst dat het sluitend is.
**Karin kijkt over je schouder mee en knikt tevreden.** *"Kijk eens aan. Je hebt een echt kostenoverzicht van Van Ginkel Solutions BV gebouwd — alle kostensoorten ingedeeld, en met SOM.ALS heb je zelf de vaste van de variabele kosten gescheiden: 15.300 vast, 40.000 variabel, samen netjes de 55.300 die je met SOM had geteld. Je hebt zelfs een controle ingebouwd die op nul sluit. Dat zijn precies de twee brillen waarmee een ondernemer naar zijn kosten kijkt: naar soort, en naar vast of variabel. Onthoud die twee indelingen, want bij de kostprijs in Cursus B komen ze keihard terug. Je hebt het helemaal in de vingers. Goed bezig, echt waar."*