"Voorraadadministratie"

"Module 10 · Vaste activa & afschrijven"

"Beginvoorraad, eindvoorraad, FIFO en de inkoopwaarde van de omzet"

Concepts

Welkom terug — de dozen die nog geen kost zijn

Fijn dat je er weer bent. Dit is les 4 van Module 10, en je hebt al een stevige basis. In **ch10a** leerde je afschrijven: een dure bus verdeel je over de gebruiksjaren. In **ch10b** leerde je kostensoorten kennen — vast en variabel — en een cruciaal onderscheid: kosten zijn verbruik in een periode, en **voorraad inkopen is nog geen kost**. In **ch10c** werkten we dat idee uit met overlopende posten.

Vandaag gaan we dat "voorraad is nog geen kost"-principe van ch10b volledig uitwerken. Want hoe werkt dat dan precies? Van Ginkel Solutions BV koopt dozen laptops in. Die dozen staan op de plank. Kosten? Nee — het zijn **bezittingen**, vlottende activa. Pas op het moment dat een laptop wordt verkocht, verandert hij van bezit in kost. En die kost heeft een naam die je al kent: de **inkoopwaarde van de omzet**.

Karin legt een stapel inkoopbonnen op tafel. *"Hier zijn alle inkopen van het kwartaal. En hier is de stand van het magazijn aan het begin en het eind van het kwartaal. Jouw taak als boekhouder: uitrekenen hoeveel van die ingekochte spullen er ook echt de deur uit zijn gegaan als verkochte voorraad — en dus kost zijn geworden. Dat is precies wat de voorraadadministratie doet. En op het BKB-examen gaat een vraag over dit principe je zeker niet verassen."*

> TIP: Voorraad = vlottend actief (bezit dat je wilt verkopen). Zolang het in het magazijn ligt, is het géén kost — het staat op de balans als bezit. Het wordt pas kost op het moment van verkopen. Dat moment heet de inkoopwaarde van de omzet.

---

Voorraad op de balans — vlottend actief

Laten we beginnen bij de balans. Je kent uit Module 5 al de twee soorten activa: **vaste activa** (de bus, de machine, de stellingen — lang in gebruik) en **vlottende activa** (stroomt vlot door het bedrijf). Voorraad valt duidelijk in de tweede groep.

Wat is voorraad precies? Alle goederen die een bedrijf in huis heeft **om door te verkopen**. Bij Van Ginkel Solutions BV zijn dat laptops, tablets, kabels en accessoires die in het magazijn liggen te wachten op een koper. Zodra ze een koper vinden en het magazijn verlaten, zijn ze geen voorraad meer — ze zijn omzet geworden (verkoop) en kosten (inkoopwaarde van de omzet).

Het onderscheid met vaste activa zit in de **bedoeling**. De bestelbus koop je om ermee te rijden, niet om hem door te verkopen. De laptops koop je juist wél om ze door te verkopen. Dat is voorraad.

Voorraad | vlottend actief
Goederen bedoeld om te verkopen
Staat aan de activakant van de balans
Van Ginkel Solutions BV: dozen laptops in het magazijn
---
Vaste activa | lang in gebruik
Bus, stellingen, computer
Niet om te verkopen, maar om te gebruiken
Afschrijven over de gebruiksjaren
---
Het verschil | de bedoeling
Verkopen? → voorraad (vlottend)
Zelf gebruiken? → vast activum
Bepaalt hoe je het boekt

Op de balans van Van Ginkel Solutions BV per periodebegin en -einde staat een bedrag bij **Voorraad** aan de activakant. Dat beginsaldo — de waarde van de voorraad bij de opening — noemen we de **beginvoorraad**. Het eindsaldo na telling en waardering heet de **eindvoorraad**. Het verschil tussen die twee, gecombineerd met de inkopen, vertelt je hoeveel er echt verkocht is.

> TIP: Voorraad staat altijd aan de **activakant** van de balans, onder vlottende activa. Het is een bezit — het bedrijf heeft die spullen nog in huis. Pas als ze verkocht zijn, verdwijnen ze van de balans en verschijnen ze in de winst-en-verliesrekening als inkoopwaarde van de omzet.

---

De kernformule — van voorraad naar inkoopwaarde

Nu de sleutelformule van deze les. Die formule legt het verband tussen wat je had, wat je erbij kocht, en wat er aan het eind nog over is:

   Beginvoorraad + Inkopen − Eindvoorraad = Inkoopwaarde van de omzet

Denk er even over na. Je begint met een voorraad. Je koopt er spullen bij. Aan het eind tel je wat er nog ligt. Het verschil — wat er "weg" is — dat moet verkocht zijn, en de inkoopprijs van dat verkochte deel is de **inkoopwaarde van de omzet**.

Het is eigenlijk logica: begin + aangevuld − overblijfsel = verbruikt. Net als bij een pot verf. Begin je met 5 liter, koop je er 3 bij, en er ligt nog 2 liter — dan heb je 6 liter gebruikt.

**Voorbeeld 1 — een rustig kwartaal.**

Van Ginkel Solutions BV begint het kwartaal met een voorraad van **10.000 euro**. In het kwartaal wordt voor **40.000 euro** ingekocht. Aan het eind van het kwartaal telt en waardeert Karin de magazijninhoud: de eindvoorraad is **8.000 euro**.

   Beginvoorraad        10.000
   + Inkopen          + 40.000
   − Eindvoorraad     −  8.000
   ────────────────────────────
   Inkoopwaarde omzet  42.000

De inkoopwaarde van de omzet is **42.000 euro**. Dat is het bedrag dat in de winst-en-verliesrekening als kost verschijnt.

Controle: beginvoorraad 10.000 + inkopen 40.000 = beschikbare voorraad 50.000. Eindvoorraad 8.000 ligt nog op de plank. 50.000 − 8.000 = 42.000 verkocht. Klopt.

**Voorbeeld 2 — een kwartaal met extra inkopen.**

Van Ginkel Solutions BV begint het volgende kwartaal met die eindvoorraad van **5.000 euro** (stel dat er nog wat terug was van vorig kwartaal). Er wordt voor **25.000 euro** ingekocht. Eindvoorraad na telling: **7.000 euro**.

   Beginvoorraad         5.000
   + Inkopen           + 25.000
   − Eindvoorraad      −  7.000
   ─────────────────────────────
   Inkoopwaarde omzet   23.000

De inkoopwaarde van de omzet is **23.000 euro**.

Merk op: de eindvoorraad (7.000) is **hoger** dan de beginvoorraad (5.000). Er is dus **meer ingekocht dan verkocht**. De voorraad is gegroeid — dat is logisch in een kwartaal met grote inkopen en een relatief lage omzet.

> TIP: De formule in woorden: "Wat had ik + wat kocht ik erbij − wat heb ik nog = wat heb ik verkocht (op inkoopprijs)." Als je die zin onthoudt, kun je de formule altijd reproduceren.

---

Koppeling met de winst-en-verliesrekening

Die inkoopwaarde van de omzet is geen losse post — hij speelt een centrale rol in het resultaat. In Module 11 ga je de volledige winst-en-verliesrekening (W&V) opstellen, maar hier alvast het verband:

   Omzet (verkoopprijs)                    60.000
   − Inkoopwaarde van de omzet           − 42.000
   ─────────────────────────────────────────────────
   BRUTOWINST                               18.000
   − Overige kosten (loon, huur, enz.)    − 14.000
   ─────────────────────────────────────────────────
   NETTOWINST (resultaat)                    4.000

De **brutowinst** is het verschil tussen wat je voor de goederen ontving (omzet) en wat je er zelf voor betaalde (inkoopwaarde van de omzet). Hoe lager de inkoopwaarde van de omzet, hoe hoger de brutowinst — alles wat je efficiënt inkoopt, comes direct in de winst terecht.

Dat is ook waarom een correcte voorraadadministratie zo belangrijk is: een fout in de eindvoorraad heeft direct gevolg voor de inkoopwaarde van de omzet, en daarmee voor de brutowinst en het resultaat.

> TIP: Onthoud de keten: hogere eindvoorraad → lagere inkoopwaarde van de omzet → hogere brutowinst. En omgekeerd: lagere eindvoorraad → hogere inkoopwaarde → lagere brutowinst. De eindvoorraad heeft direct invloed op de winst.

---

Inventarisatie — het vaststellen van de eindvoorraad

Voordat je de formule kunt toepassen, moet je de **eindvoorraad** kennen. Die stel je vast door **inventarisatie**: aan het eind van de periode ga je door het magazijn en tel je alle goederen die er nog liggen, stuk voor stuk.

Inventarisatie bestaat uit twee stappen:

  1. **Tellen** — hoeveel stuks van elk product liggen er nog?
  2. **Waarderen** — wat is die hoeveelheid waard in euro's?

Voor de waarde gebruik je altijd de **inkoopprijs** (de kostprijs), niet de verkoopprijs. Waarom? Omdat de voorraad nog niet verkocht is — er is nog geen winst gemaakt op die goederen. Ze zijn bezit, en bezit waardeer je op wat het je heeft gekost, niet op wat je er later voor hoopt te krijgen.

   INVENTARISATIE NEXUS RETAIL — einde kwartaal

   Product          Stuks    Inkoopprijs p/st    Waarde
   ─────────────────────────────────────────────────────
   Laptop model A      20         250              5.000
   Tablet model B      15         120              1.800
   USB-hub             60          20              1.200
   ─────────────────────────────────────────────────────
   EINDVOORRAAD                                    8.000

Merk op: elke regel is stuks × inkoopprijs. De totale eindvoorraad is de optelsom: 5.000 + 1.800 + 1.200 = **8.000**. Dit is het getal dat je invult als eindvoorraad in de kernformule.

> TIP: Waarder de voorraad altijd op **inkoopprijs**, nooit op verkoopprijs. De winst boek je pas op het moment van verkoop — niet al in de voorraad. Dit is een vaste regel in de Nederlandse boekhouding en een geliefd examenonderwerp.

---

Waarderingsmethoden — FIFO

Nu wordt het een stukje preciezer. Je weet dat je voorraad op inkoopprijs waardeert — maar welke inkoopprijs? Als je in de loop van het jaar op drie momenten hebt ingekocht tegen verschillende prijzen, welke prijs hangt er dan aan de resterende voorraad?

Daarvoor bestaan **waarderingsmethoden**. We behandelen er twee: **FIFO** en de **gemiddelde kostprijs**. Beide zijn toegestaan en beide worden in het BKB-examen gevraagd.

**FIFO** staat voor **First In, First Out**: de eerst ingekochte goederen worden geacht het eerst verkocht te zijn. De voorraad die nog ligt, bestaat dan uit de meest recent ingekochte partijen.

Denk aan een broodrek in een supermarkt: de oudste broden schuif je naar voren, de verse legt de bakker achteraan. Eerste erin, eerste eruit.

**Het FIFO-voorbeeld uitgewerkt.**

Van Ginkel Solutions BV koopt in het kwartaal op drie momenten USB-hubs in:

| Inkoopdatum | Stuks | Prijs p/st | Totaal | |---|---|---|---| | 2 januari | 100 stuks | € 18 | € 1.800 | | 15 februari | 80 stuks | € 20 | € 1.600 | | 10 maart | 60 stuks | € 22 | € 1.320 | | **Totaal ingekocht** | **240 stuks** | | **€ 4.720** |

Uit de magazijntelling aan het eind van het kwartaal blijkt dat er nog **70 stuks** USB-hubs in het magazijn liggen. Dus er zijn 240 − 70 = **170 stuks** verkocht.

Met FIFO: de verkochte 170 stuks bestaan uit de eerst ingekochte partijen.

   FIFO — uitwerking verkochte stuks (170 stuks)
   ────────────────────────────────────────────────────────
   Partij 1 (2 jan):   100 stuks × € 18  =  € 1.800  (volledig verkocht)
   Partij 2 (15 feb):   70 stuks × € 20  =  € 1.400  (deels verkocht)
   ────────────────────────────────────────────────────────
   Totaal verkocht:    170 stuks             € 3.200

   FIFO — uitwerking eindvoorraad (70 stuks over)
   ────────────────────────────────────────────────────────
   Partij 2 (15 feb):   10 stuks × € 20  =  €   200  (restant partij 2)
   Partij 3 (10 mrt):   60 stuks × € 22  =  € 1.320  (volledig over)
   ────────────────────────────────────────────────────────
   Eindvoorraad FIFO:   70 stuks             € 1.520

Controle: inkoopwaarde verkocht (3.200) + eindvoorraad (1.520) = 4.720 = totaal ingekocht. Klopt.

> TIP: Bij FIFO begin je altijd bij de **oudste** partij en werkt je door naar de jongste totdat je de verkochte hoeveelheid hebt. Wat dan overblijft — de jongste partijen — vormt de eindvoorraad. Oudste eerst eruit, jongste blijft over.

---

Waarderingsmethoden — gemiddelde kostprijs

De tweede methode is de **gewogen gemiddelde kostprijs**. Hier gebruik je niet de prijzen van afzonderlijke partijen, maar bereken je een gemiddelde prijs over alle ingekochte stuks.

De formule:

   Gemiddelde kostprijs = Totale inkoopwaarde ÷ Totaal aantal ingekochte stuks

**Het gemiddelde kostprijs-voorbeeld — zelfde cijfers als bij FIFO.**

Van Ginkel Solutions BV heeft in totaal 240 USB-hubs ingekocht voor een totale inkoopwaarde van 4.720 euro.

   Gemiddelde kostprijs = € 4.720 ÷ 240 stuks = € 19,67 per stuk

De eindvoorraad is 70 stuks:

   Eindvoorraad gemiddelde kostprijs = 70 × € 19,67 = € 1.377
   (afgerond: € 1.377)

De inkoopwaarde van de omzet bij gemiddelde kostprijs:

   170 stuks verkocht × € 19,67 = € 3.344

Controle: 3.344 + 1.377 = 4.721 (afrondingsverschil van 1 cent — dat is normaal bij een repeterende decimaal).

> TIP: Bij de gemiddelde kostprijs hoef je niet te weten welke stuks wanneer verkocht zijn — je gebruikt gewoon de gemiddelde prijs voor alles. Dat maakt de methode eenvoudiger te berekenen, maar minder nauwkeurig in het bijhouden van welke partijen er precies uitstaan.

---

Vergelijking FIFO en gemiddelde kostprijs

Laten we de twee methoden naast elkaar zetten — met dezelfde basisgegevens leveren ze verschillende uitkomsten:

| | FIFO | Gemiddelde kostprijs | |---|---|---| | Eindvoorraad (70 stuks) | € 1.520 | € 1.377 | | Inkoopwaarde verkocht (170 stuks) | € 3.200 | € 3.344 | | Totaal ingekocht | € 4.720 | € 4.720 |

De eindvoorraad verschilt: **1.520 (FIFO) versus 1.377 (gemiddeld)**. Dat verschil van 143 euro is normaal en correct — de methoden verdelen dezelfde totale inkoopwaarde (4.720) alleen anders over eindvoorraad en inkoopwaarde van de omzet.

Wanneer geeft FIFO een hogere eindvoorraad? Als de prijzen stijgen over de tijd (zoals hier: 18 → 20 → 22 euro). Bij FIFO blijven de duurste (meest recente) partijen in de eindvoorraad. Bij de gemiddelde methode worden dure en goedkope partijen gemengd, waardoor de eindvoorraad iets lager uitvalt.

FIFO | First In, First Out
Oudste partij als eerste verkocht
Eindvoorraad = jongste (duurste) stuks
Hogere eindvrd bij stijgende prijzen
---
Gemiddelde kostprijs | gewogen gemiddelde
Totale inkoopwaarde ÷ totaal stuks
Één prijs voor alle stuks
Eindvrd en IvdO iets anders verdeeld
---
Beide correct | BKB accepteert beide
Zelfde totale inkoopwaarde als basis
Verdeling over eindvrd/IvdO verschilt
Examen: berekening en vergelijking

> TIP: Op het BKB-examen moet je beide methoden kunnen **uitrekenen** én weten **wat het verschil is**. Het totaal van eindvoorraad + inkoopwaarde van de omzet is bij beide methoden altijd gelijk aan de totale inkoopwaarde. Alleen de verdeling verschilt.

---

De journaalpost bij periodeafsluiting

Aan het einde van de periode moet je de balans bijwerken: de werkelijke eindvoorraad (uit de inventarisatie) moet op de balans staan in plaats van het begin saldo. Het verschil tussen beginvoorraad en eindvoorraad verwerk je via een journaalpost.

Er zijn twee situaties:

**Situatie 1 — eindvoorraad LAGER dan beginvoorraad (voorraadafname).**

De voorraad is gedaald. Er is meer verkocht dan ingekocht, of er is gewoon meer omgezet. De inkoopwaarde van de omzet stijgt hierdoor.

Van Ginkel Solutions BV: beginvoorraad **10.000**, eindvoorraad **8.000**. Verschil: **2.000** minder voorraad.

   31 december — afsluiten voorraad (afname van 2.000)

   Debet   Inkoopwaarde van de omzet         2.000
      Credit   Voorraad                          2.000

   (voorraad daalt met 2.000 op de balans;
    inkoopwaarde stijgt met 2.000 in de W&V)

Debet = credit: 2.000 = 2.000. Klopt.

De Voorraadrekening staat na deze boeking op 10.000 − 2.000 = **8.000** (de eindvoorraad). De Inkoopwaarde van de omzet bevat nu ook dit verschil.

**Situatie 2 — eindvoorraad HOGER dan beginvoorraad (voorraadtoename).**

De voorraad is gestegen. Er is meer ingekocht dan verkocht. Omdat er minder goederen de deur uit zijn als verkochte voorraad, is de inkoopwaarde van de omzet lager.

Van Ginkel Solutions BV kwartaal 2: beginvoorraad **5.000**, eindvoorraad **7.000**. Verschil: **2.000** meer voorraad.

   30 juni — afsluiten voorraad (toename van 2.000)

   Debet   Voorraad                          2.000
      Credit   Inkoopwaarde van de omzet         2.000

   (voorraad stijgt met 2.000 op de balans;
    inkoopwaarde daalt met 2.000 in de W&V)

Debet = credit: 2.000 = 2.000. Klopt.

De Voorraadrekening staat na deze boeking op 5.000 + 2.000 = **7.000** (de eindvoorraad). De inkoopwaarde van de omzet wordt 2.000 lager.

> TIP: Ezelsbruggetje voor de journaalpost: **daalt de voorraad** (eindvrd < beginvrd) → de inkoopwaarde **stijgt** → Inkoopwaarde debet, Voorraad credit. **Stijgt de voorraad** (eindvrd > beginvrd) → de inkoopwaarde **daalt** → Voorraad debet, Inkoopwaarde credit. De twee kanten zijn altijd elkaars spiegelbeeld.

---

Samenvattend overzicht — alles op een rij

   MODULE 10d — VOORRAADADMINISTRATIE OP EEN RIJ

   VOORRAAD op de balans
        Vlottend actief — bedoeld om te verkopen
        Beginvoorraad: waarde op eerste dag van de periode
        Eindvoorraad:  waarde na inventarisatie (op inkoopprijs)

   DE KERNFORMULE
        Beginvoorraad + Inkopen − Eindvoorraad = Inkoopwaarde v/d omzet

   INVENTARISATIE
        Tel stuks × inkoopprijs per product → eindvoorraad
        Nooit op verkoopprijs — de winst maak je bij verkoop, niet in de voorraad

   WAARDERINGSMETHODEN
        FIFO            oudste eerst verkocht → jongste partijen in eindvrd
        Gem. kostprijs  totale inkoopwaarde ÷ totaal stuks → één prijs
        Beide leveren zelfde totaal; verdeling eindvrd/IvdO verschilt

   JOURNAALPOST PERIODEAFSLUITING
        Afname (eindvrd < beginvrd): IvdO debet  / Voorraad credit
        Toename (eindvrd > beginvrd): Voorraad debet / IvdO credit

Karin leunt achteruit. *"Dat is de complete voorraadadministratie. Het ziet er misschien complex uit, maar eigenlijk is het steeds dezelfde gedachte: voorraad is bezit totdat het verkocht wordt — pas dan wordt het kost. De kernformule rekent uit hoeveel dat is, de waarderingsmethode bepaalt tegen welke prijs, en de journaalpost zorgt dat de balans klopt. In de missie ga je het nu zelf doen — voor Van Ginkel Solutions BV, met echte getallen. Klaar?"*

> TIP: De kernformule is de spil van de hele les: Beginvrd + Inkopen − Eindvrd = IvdO. Als je die vasthoudt en de journaalpost (afname: IvdO debet / Vrd credit; toename: Vrd debet / IvdO credit) kunt reproduceren, zit je goed voor het BKB-examen.

---

Missie

STORY: Karin schuift haar stoel naast de jouwe. *"Het is einde kwartaal bij Van Ginkel Solutions BV en het is tijd om de voorraadadministratie af te ronden. We hebben drie inkoopmomenten gehad voor onze USB-hubs en nu moeten we uitrekenen wat de eindvoorraad waard is — zowel via FIFO als via de gemiddelde kostprijs. Daarna berekenen we met de kernformule de inkoopwaarde van de omzet, en tot slot boeken we de afsluitjournaalpost. Ik geef je de basisgegevens, jij bouwt het overzicht in Excel. Stap voor stap."*

Stap 1 — Maak het inkopentabblad

Start Excel met een **Leeg werkblad**. We zetten eerst alle inkoopmomenten overzichtelijk neer. In rij 1 komen de koppen.

Klik op **A1** en typ `Datum`. Klik op **B1**: `Stuks`. Klik op **C1**: `Prijs p/st`. Klik op **D1**: `Totaal`. Maak rij 1 vet.

Vul daarna de drie inkoopmomenten in:

        A           B       C        D
   ┌──────────┬───────┬────────┬──────────┐
 1 │ Datum    │ Stuks │ Prijs  │ Totaal   │
 2 │ 3 jan    │   100 │     18 │          │
 3 │ 12 feb   │    80 │     20 │          │
 4 │ 8 mrt    │    60 │     22 │          │
   └──────────┴───────┴────────┴──────────┘

Klik op **D2** en typ de formule: `=B2*C2`. Kopieer die formule naar **D3** en **D4** door D2 te selecteren en de vulgreep (het kleine vierkantje rechtsonder de cel) naar D4 te slepen. In D2 verschijnt **1.800**, in D3 **1.600**, in D4 **1.320**.

In **A6** typ `Totaal ingekocht`. In **B6** typ `=SOM(B2:B4)` (dat geeft **240 stuks**). In **D6** typ `=SOM(D2:D4)` (dat geeft **€ 4.720**).

Stap 2 — Stel de eindvoorraadhoeveelheid vast

Op basis van de magazijntelling zijn er aan het einde van het kwartaal nog **70 stuks** USB-hubs over. In **A8** typ `Eindvoorraad (stuks)`. In **B8** typ `70`.

Bereken ook de verkochte stuks. In **A9** typ `Verkocht (stuks)`. In **B9** typ de formule:

=B6-B8

In B9 verschijnt **170**: 240 ingekocht − 70 over = 170 verkocht. Goed, dat gebruiken we straks.

        A                      B
   ┌─────────────────────┬──────────┐
 6 │ Totaal ingekocht    │    240   │  stuks
 7 │                     │  4.720   │  €   ← D6
 8 │ Eindvoorraad stuks  │     70   │
 9 │ Verkocht stuks      │    170   │  ← =B6-B8
   └─────────────────────┴──────────┘

Stap 3 — Bereken de eindvoorraad via FIFO

Nu de FIFO-berekening. Maak een klein sectie naast je tabel, bij kolom F.

In **F1** typ `FIFO — eindvoorraad`. In **F2** typ `Partij 3 volledig over`. In **G2** typ `60`. In **H2** typ `22`. In **I2** typ `=G2*H2` (geeft **1.320**).

Van partij 2 (80 stuks à € 20) zijn er na de FIFO-berekening nog 10 stuks over. Waarom? De 170 verkochte stuks bestaan uit: partij 1 volledig (100 stuks) + 70 stuks van partij 2. Van partij 2 blijven dan 80 − 70 = 10 stuks over.

In **F3** typ `Partij 2 restant`. In **G3** typ `10`. In **H3** typ `20`. In **I3** typ `=G3*H3` (geeft **200**).

In **F5** typ `Eindvoorraad FIFO`. In **I5** typ `=SOM(I2:I3)`. Dat geeft **1.520**.

        F                     G     H      I
   ┌─────────────────────┬──────┬──────┬───────┐
 1 │ FIFO — eindvrd      │Stuks │Prijs │Waarde │
 2 │ Partij 3 volledig   │  60  │  22  │ 1.320 │  ← =G2*H2
 3 │ Partij 2 restant    │  10  │  20  │   200 │  ← =G3*H3
 4 │                     │      │      │       │
 5 │ Eindvoorraad FIFO   │      │      │ 1.520 │  ← =SOM(I2:I3)
   └─────────────────────┴──────┴──────┴───────┘

Stap 4 — Bereken de eindvoorraad via gemiddelde kostprijs

Nu de tweede methode. Ga naar kolom F, rij 7.

In **F7** typ `Gemiddelde kostprijs`. In **F8** typ `Totaal ingekocht €`. In **G8** verwijst je naar de totale inkoopwaarde: typ `=D6` (geeft **4.720**). In **F9** typ `Totaal stuks`. In **G9** typ `=B6` (geeft **240**).

In **F10** typ `Gem. prijs p/st`. In **G10** typ de formule voor de gemiddelde kostprijs:

=G8/G9

In G10 verschijnt **19,67** (afgerond). Dit is de gewogen gemiddelde inkoopprijs per USB-hub.

In **F11** typ `Eindvoorraad gem.kp (70 st)`. In **G11** typ:

=B8*G10

In G11 verschijnt **1.377** (70 × 19,67 = 1.376,67 — Excel rondt het getal voor je af als je twee decimalen instelt).

        F                          G
   ┌─────────────────────────┬──────────┐
 7 │ Gemiddelde kostprijs    │          │
 8 │ Totaal ingekocht €      │  4.720   │  ← =D6
 9 │ Totaal stuks            │    240   │  ← =B6
10 │ Gem. prijs p/st         │  19,67   │  ← =G8/G9
11 │ Eindvrd gem.kp (70 st)  │  1.377   │  ← =B8*G10
   └─────────────────────────┴──────────┘

Stap 5 — Bereken de inkoopwaarde van de omzet

Nu de kernformule toepassen. We gebruiken de FIFO-eindvoorraad als uitgangspunt voor de afsluiting. De beginvoorraad van dit kwartaal was **8.000 euro** (de eindvoorraad van het vorige kwartaal, zoals vastgesteld in de CONCEPTS).

Maak een blok vanaf rij 13:

In **F13** typ `Kernformule`. In **F14** typ `Beginvoorraad`. In **G14** typ `8000`. In **F15** typ `+ Inkopen`. In **G15** typ `=D6` (geeft 4.720). In **F16** typ `− Eindvoorraad FIFO`. In **G16** typ `=I5` (geeft 1.520). In **F17** typ `= Inkoopwaarde omzet`. In **G17** typ de formule:

=G14+G15-G16

In G17 verschijnt **11.200**.

        F                          G
   ┌─────────────────────────┬──────────┐
13 │ Kernformule             │          │
14 │ Beginvoorraad           │  8.000   │
15 │ + Inkopen               │  4.720   │  ← =D6
16 │ − Eindvrd FIFO          │  1.520   │  ← =I5
17 │ = Inkoopwaarde omzet    │ 11.200   │  ← =G14+G15-G16
   └─────────────────────────┴──────────┘

Reken zelf even mee: 8.000 + 4.720 − 1.520 = **11.200**. Dit is de inkoopwaarde van de omzet die in de winst-en-verliesrekening van dit kwartaal terecht zal komen.

Stap 6 — Stel de journaalpost op en vergelijk de twee methoden

Tot slot: de beginvoorraad was 8.000 en de eindvoorraad (FIFO) is 1.520. De voorraad is gedaald met 8.000 − 1.520 = **6.480**. Dat is een voorraadafname.

In **F19** typ `Journaalpost`. In **F20** typ `Soort`. In **G20** typ `Voorraadafname (eindvrd < beginvrd)`. In **F21** typ `Debet`. In **G21** typ `Inkoopwaarde van de omzet 6.480`. In **F22** typ `Credit`. In **G22** typ `Voorraad 6.480`.

Maak als laatste een vergelijkingstabel voor FIFO versus gemiddelde kostprijs. Voeg toe in rij 24:

        F                          G           H
   ┌─────────────────────────┬──────────┬──────────┐
24 │ Vergelijking            │  FIFO    │ Gem.kp   │
25 │ Eindvoorraad            │  1.520   │  1.377   │  ← I5 vs G11
26 │ IvdO (=8000+4720−Evrd)  │ 11.200   │ 11.343   │  ← berekend
27 │ Totaal (moet 12.720 zijn│ 12.720   │ 12.720   │  ← controle
   └─────────────────────────┴──────────┴──────────┘

In **H26** bereken je de inkoopwaarde bij gemiddelde kostprijs: `=G14+G15-G11` (= 8.000 + 4.720 − 1.377 = **11.343**). In **G27** en **H27** typ je de controleformule `=G25+G26` respectievelijk `=H25+H26`. Beide moeten **12.720** geven (8.000 beginvrd + 4.720 inkopen).

**Karin kijkt mee en knikt tevreden.** *"Kijk eens aan. Je hebt de complete voorraadadministratie van Van Ginkel Solutions BV uitgewerkt. Je hebt de drie inkoopmomenten vastgelegd, de eindvoorraad berekend via FIFO (€ 1.520) én via de gemiddelde kostprijs (€ 1.377), en met de kernformule de inkoopwaarde van de omzet uitgerekend: 11.200 bij FIFO, 11.343 bij de gemiddelde methode. Je hebt gezien dat beide methoden dezelfde totale inkoopwaarde van 12.720 verdelen, alleen anders. En je hebt de afsluitjournaalpost opgesteld. Dit is exact het soort berekening dat op het BKB-examen staat. Je hebt het helemaal in de vingers. Goed bezig."*